|
100WATT
![]() In 100WATT wordt iedere keer een (actueel) boek uit onze collectie uitgelicht.Susan Smit - Vloed (2010) Susan geeft op 17 maart een lezing in de bibliotheek van Den Hoorn Schitterende, epische, historische roman, gebaseerd op Susan Smit’s eigen familiegeschiedenis. Noordwijk, 1899. Adriana van Konijnenburg weigert haar eerste huwelijksaanzoek. Liever zit ze te lezen of te schrijven, zoals haar vroegere speelkameraadje Henriëtte Roland Holst. Haar vader, hotelier en reder, verandert het vissersdorp in een mondaine badplaats door badkoetsjes op het strand te zetten en een badhotel te beginnen. Als Adriana liefdadigheidswerk doet in een clubhuis voor vissers ontmoet ze Jacob, een jonge visser op wie ze verliefd wordt. Het verschil in klasse is groot en de verhouding strandt. Ze stort zich op haar poëzie en laat zich schaken door een ober die in een van de hotels werkt, een charmeur en bastaardkind van Willem III. Ze wordt onterfd en verbannen uit Noordwijk, maar kiest vol overgave voor de liefde, alsof ze alsnog de juiste keuze wil maken. Jaren later, als ze inmiddels moeder is, levert ze de grootste strijd van haar leven om terug te keren… Leesfragment uit Vloed (2010) In de nabijheid van de zee leven doet iets met mensen. De zielen die geboren zijn in dit dorp, de Noordwijkers, zijn met haar vergroeid. Ze halen er hun dagelijkse vis uit, geven in hoop en vrees hun zonen en mannen aan haar mee – voor de grote vaart, de walvisvangst en de Oostindiëvaart – en turen over haar oppervlakte om zich in gedachten bij hun zeemansdoden te voegen. Ze noemen zich Zeeërs en kijken meewarig naar de bewoners van Noordwijk-Binnen, de Binders, die ze als een ander ras beschouwen. De kans dat een Zeeër tussen de Binders gaat wonen is even klein als dat hij gaat emigreren naar Australië. Hij woont liever in een klein hok met uitzicht op zee dan in een villa in het groen. Mensen van buiten die de zee opzoeken – dat is een heel ander verhaal. De dichters die hiernaartoe zijn gekomen en vertoeven in hun zomervilla’s – Albert Verwey, Willem Kloos – verkiezen de kust om de invloed die ze heeft op hun geest. Het talent van dichters kan zich kennelijk goed ontplooien met het zicht op de zee en de duinen, onder de wolkenrijke hemel. Er is een oneindigheid, een weidsheid, die uitnodigt tot mijmeren in alle richtingen. De zee heeft geen afgebakende grenzen, kent geen vaste vorm; ze roert zich naar alle windstreken. Dat trekt mensen aan met een verre blik en brede opvattingen. En losse zeden, zou mijn moeder zeggen. De toegestroomde dichters en badgasten kennen bovendien de angsten van het vissersvolk niet. Ze zien hoe de zee kan schuimen, zieden en klotsen, hoe ze in razernij kan kolken en verstild kan rimpelen. Ze zien het, maar voelen er niet de eerbied en de vrees bij van de vissersvrouwen, de stuurlieden, de nettenboeters en de bokkingrokers. Ikzelf heb mij nooit geschaard onder een van die groepen. Ik ben geen Binder, voel me geen echte Zeeër en geen echte dichter. Feitelijk gezien ben ik dat tweede wel, trouwens. Ik ben geboren in badhotel Van Konijnenburg, dat enkel door een zandpad en het strand gescheiden is van de zee. Wat betreft de laatste categorie: de enkeling die mijn werk onder ogen krijgt, noemt me een echte dichter. Maar zonder gepubliceerd te zijn, ben ik net zomin een dichter als iemand die geen enkel huis heeft laten bouwen zich een architect kan noemen. Mijn vader is dat hotel begonnen in 1875, toen bleek dat de badgasten wilden blijven overnachten, liefst met zicht op de zee. Negen jaar eerder had hij vier badkoetsen uit Scheveningen laten komen. Hij had gehoord dat daar mensen uit hogere kringen kwamen die geld neerlegden om een zuiverend en versterkend zeebad te nemen. Het zoute zeewater zou hen genezen van kwalen, ziektes en neerslachtigheid. Het jodium, dat in hoge concentratie in de lucht aan de kust voorkwam, zou bovendien een gunstige invloed hebben op de werking van de schildklier en de zuiverheid van de longen. Het zeebaden was een ritueel dat de Noordwijkers in de eerste jaren deed bulderen van het lachen en vol onbegrip het hoofd deed schudden. Het was dan ook een wonderlijke gebeurtenis. Een dame of heer ging gekleed de badkoets binnen, waarna deze door paarden een stuk de zee in werd getrokken, totdat het trapje aan de achterkant van de koets het wateroppervlakte raakte. Volledig ontkleed stapte hij of zij de treden van de badkoets af in het water, wat voor de mensen aan de kust niet te zien was omdat de badkoetsjes met de deur van het strand af gedraaid werden. De bader of baadster werd vervolgens drie- of viermaal achterover onder water gedompeld door de badman of badvrouw, alsof het een godsdienstige rite betrof. Het baden ging naakt, om zo veel mogelijk huid met het heilzame zeewater in aanraking te brengen. Later huurden de badgasten bij de badmeester een badhemd: een lang, ruim en geplooid hemd met een vastgenaaide capuchon en wijde pofmouwen. De badjurken met versierselen, stiksels en ruches die kort daarna in zwang raakten, vond de plaatselijke bevolking zo mogelijk nog bespottelijker. De zee om in te zwemmen – veel gekker moest het niet worden. ‘Als je de badgasten bekijkt, begrijp je waarom de zee zich twee keer per dag terugtrekt,’ lachte het vissersvolk. Soms moest mijn vader om de hoon van de dorpelingen lachen. Soms deed hij er zelfs aan mee, maar vaker wilde hij er niets mee te maken hebben. ‘Spot is goedkoop,’ bromde hij dan. En hij kreeg gelijk. De badkoetsen trokken elk jaar meer badgasten en ontwikkelden zich tot een lucratieve handel die zich uitstrekte tot de hotels, pensions, restaurants, vervoersbedrijven en winkels. In deze contreien viel voor een dame niet veel te beleven. Naar het noorden en oosten lag het water, naar het westen lagen de duinen van nu eens drassige, dan weer zanderige grond en het groen van helm en bramenstruiken. Wie in de richting van het zuiden liep, kwam eerst bollenvelden en kruidentuinen tegen en later vooral boerenland, boter- en kaasfabrieken. Noordwijk is een wonderlijke naam voor een zo in zichzelf gekeerd dorp. Bij Noord hoort een Zuid, maar welk Zuid? Het is niet waarschijnlijk dat de Noordwijkers zich ooit deel van een groter geheel hebben gevoeld. Haar naam moest niet naar de landstreek waarin ze besloten lag verwijzen, maar naar het enige waarnaar haar bewoners uren konden loeren en ook nog eens uren over konden praten: de Noordzee. Het bestaan van de hen omringende gronden namen ze voor kennisgeving aan. Je kon in die dagen de stoomtram naar het binnenland nemen, je kon binnen een dag heen en weer naar de markt in Leiden lopen om op en beneden de Visbrug de vis te verkopen, en je kon op zondag door de duinen naar Noordwijkerhout of Katwijk wandelen, maar dat deed men zelden. Een Noordwijker had niets te zoeken buiten zijn dorp. De Noordzee hield niet op bij de branding of bij het strand aan haar voeten; ze was onderdeel van het dorp zelf. Alle huizen, inclusief de godshuizen, lagen met hun gezicht naar de zee en het zand. In mijn kindertijd waren er enkel onverharde wegen, die al naar gelang het weer in zandvlakten of modderpoelen veranderden. Onze gasten moesten het hotel zien te bereiken over de onbestrate Buurt, zoals de weg werd genoemd. Ze hadden zand in hun schoenen en hun haren, dat ze meenamen naar binnen. Dat gaf niet. Overal lag zand, ook toen de straten werden betegeld. Geen omheining of muur kon het tegenhouden. De meiden veegden de entree drie keer per dag schoon, maar het was onbegonnen werk. ‘Het zand was hier eerder dan wij,’ zei mijn vader. |








